Black Bottle Riot
Black Bottle Riot. Je kent ze vast niet van hun radiohit: die hebben ze namelijk nooit gehad. Ze zijn zelfs nooit viraal gegaan. Alles wat de band ooit heeft veroverd, is veroverd vanuit die ouwe gare tourbus, zaal voor zaal, avond na avond, twintig jaar lang. Geen platenmaatschappij die het voor je doet, geen algoritme dat een nummer oppikt: zelf de versterkers sjouwen, instappen en op het podium bewijzen dat je het verdient.
Het begon in 2006, toen de mannen de koppen bij elkaar staken. Geen sluwe marketingplannen, geen showcase voor platenlabels maar gewoon vier gasten die wisten wat ze wilden horen, en het dan zelf maar gingen spelen. Het titelloze debuutalbum (2011) en Soul in Exile uit 2013 zette ze neer als een strakke liveband. Indigo Blues (2015) liet voor het eerst horen hoe donker en spijkerhard ze konden klinken, en met Fire (2019) en That’s Amore (2023) zat de klassieke Black Bottle Riot-formule er al helemaal in. Ieder album een stap verder in hetzelfde ambacht: de beste songs maken die ze maar kunnen en vastleggen wat ze toch al op het podium doen.
Dat podium is uiteindelijk altijd de plek geweest waar het gebeurt. Black Bottle Riot stond in het voorprogramma van ZZ Top, deelde bills met Pearl Jam, The Black Keys, The War On Drugs, Black Stone Cherry en Rival Sons, en werkte zich via kroegen, clubs en festivals naar een reputatie die geen enkele playlist ze ooit heeft gegeven: die van een band die je live moet zien om te snappen waarom ze nog bestaan.
En reken er maar op dat ze eerst je bier opdrinken terwijl ze je alsnog het snot voor de ogen spelen, het maakt ze echt geen bal uit. Twintig jaar lang zagen ze bands komen en gaan, genres opbloeien en weer doodbloeden, hypes die drie jaar de dienst uitmaakten en daarna spoorloos verdwenen. Black Bottle Riot deed ondertussen gewoon wat het altijd al deed: spelen zoals zíj het willen, voor wie er toevallig staat. Of het nou 3 of 45.000 mensen zijn.
Twintig jaar en zes albums verdienen op een gegeven moment een tijd van opmaken van de balans, en dat moment kwam er in 2025, in eigen huis, op het podium van Merleyn in Nijmegen. Deliverance is geen doorsnee live-plaat, maar een dubbelalbum dat live-registratie en best-of in één klap samenbrengt. Twintig jaar aan nummers, teruggebracht tot de versie waarin ze het beste tot hun recht komen: met een uitzinnig publiek, het zweet druipend van de muren en zonder veiligheidsnet. Toch is Deliverance geen afscheid en geen punt aan het eind van een zin. Het is een tussenstap. Het bewijs dat er, na twee decennia, nog méér in het whiskeyvat zit.
Dat 'meer' heet Under My Skin, het nieuwe album dat in 2027 verschijnt. De vraag die eraan voorafging was niet ‘hóe nu verder?’, maar gewoon: opnieuw nummers schrijven totdat ze beter zijn dan wat er eerder lag en deze op plaat gooien voor het nageslacht. Rock and roll, boogie, dikke gitaren en veel mondharmonica! Qua stijl landt de band dit keer dichter bij Rory Gallagher, Thin Lizzy en The Black Crowes dan ooit: een logisch gevolg van twintig jaar precies doen wat zij zelf het beste vonden, nooit wat het meest voor de hand lag of het populairst was. Het is dus geen comeback, geen nieuw hoofdstuk. Gewoon de volgende zaal die veroverd moet worden, met dezelfde bus, een koud kratje bier en een band die nog altijd niets liever doet dan onderweg zijn.
Zoals iemand een keer zei: ‘dit is de band met de langste adem en de grootste dorst’. En zo is het.
Black Bottle Riot. Je kent ze vast niet van hun radiohit: die hebben ze namelijk nooit gehad. Ze zijn zelfs nooit viraal gegaan. Alles wat de band ooit heeft veroverd, is veroverd vanuit die ouwe gare tourbus, zaal voor zaal, avond na avond, twintig jaar lang. Geen platenmaatschappij die het voor je doet, geen algoritme dat een nummer oppikt: zelf de versterkers sjouwen, instappen en op het podium bewijzen dat je het verdient.
Het begon in 2006, toen de mannen de koppen bij elkaar staken. Geen sluwe marketingplannen, geen showcase voor platenlabels maar gewoon vier gasten die wisten wat ze wilden horen, en het dan zelf maar gingen spelen. Het titelloze debuutalbum (2011) en Soul in Exile uit 2013 zette ze neer als een strakke liveband. Indigo Blues (2015) liet voor het eerst horen hoe donker en spijkerhard ze konden klinken, en met Fire (2019) en That’s Amore (2023) zat de klassieke Black Bottle Riot-formule er al helemaal in. Ieder album een stap verder in hetzelfde ambacht: de beste songs maken die ze maar kunnen en vastleggen wat ze toch al op het podium doen.
Dat podium is uiteindelijk altijd de plek geweest waar het gebeurt. Black Bottle Riot stond in het voorprogramma van ZZ Top, deelde bills met Pearl Jam, The Black Keys, The War On Drugs, Black Stone Cherry en Rival Sons, en werkte zich via kroegen, clubs en festivals naar een reputatie die geen enkele playlist ze ooit heeft gegeven: die van een band die je live moet zien om te snappen waarom ze nog bestaan.
En reken er maar op dat ze eerst je bier opdrinken terwijl ze je alsnog het snot voor de ogen spelen, het maakt ze echt geen bal uit. Twintig jaar lang zagen ze bands komen en gaan, genres opbloeien en weer doodbloeden, hypes die drie jaar de dienst uitmaakten en daarna spoorloos verdwenen. Black Bottle Riot deed ondertussen gewoon wat het altijd al deed: spelen zoals zíj het willen, voor wie er toevallig staat. Of het nou 3 of 45.000 mensen zijn.
Twintig jaar en zes albums verdienen op een gegeven moment een tijd van opmaken van de balans, en dat moment kwam er in 2025, in eigen huis, op het podium van Merleyn in Nijmegen. Deliverance is geen doorsnee live-plaat, maar een dubbelalbum dat live-registratie en best-of in één klap samenbrengt. Twintig jaar aan nummers, teruggebracht tot de versie waarin ze het beste tot hun recht komen: met een uitzinnig publiek, het zweet druipend van de muren en zonder veiligheidsnet. Toch is Deliverance geen afscheid en geen punt aan het eind van een zin. Het is een tussenstap. Het bewijs dat er, na twee decennia, nog méér in het whiskeyvat zit.
Dat 'meer' heet Under My Skin, het nieuwe album dat in 2027 verschijnt. De vraag die eraan voorafging was niet ‘hóe nu verder?’, maar gewoon: opnieuw nummers schrijven totdat ze beter zijn dan wat er eerder lag en deze op plaat gooien voor het nageslacht. Rock and roll, boogie, dikke gitaren en veel mondharmonica! Qua stijl landt de band dit keer dichter bij Rory Gallagher, Thin Lizzy en The Black Crowes dan ooit: een logisch gevolg van twintig jaar precies doen wat zij zelf het beste vonden, nooit wat het meest voor de hand lag of het populairst was. Het is dus geen comeback, geen nieuw hoofdstuk. Gewoon de volgende zaal die veroverd moet worden, met dezelfde bus, een koud kratje bier en een band die nog altijd niets liever doet dan onderweg zijn.
Zoals iemand een keer zei: ‘dit is de band met de langste adem en de grootste dorst’. En zo is het.



































